Over geruststelling in literatuur
Bloednerveus - want binnen het uur wordt mijn zoon door zijn vader, nadat deze twee elkaar meer dan twintig jaar niet hebben gezien - naar mijn huis gebracht. Zijn vader en ik, wij hebben elkaar dertig jaar niet gezien. Vanavond zien we elkaar terug.
Ik wil - en ik zal - hem een warm welkom bereiden. Een klimaat scheppen waarin het voor mijn zoon goed toeven is, voor even temidden van beiden zijn ouders.
Maar als je met mijn spanning de hemel vanavond in tweeën zou willen klieven, dan heus, dan kan dat vanavond, want de spanning is vlijmscherp in mij.
Hoe zal het zijn, na zo lange tijd? Kan ik waardig, voorbij aan iedere vorm van teleurstelling? Kan ik groeten, even liefdevol als ik mij voel?
Ja dat kan ik, want het gaat hier nu niet om mij. Maar om onze zoon.
Ik loop naar mijn boekenkast en lees het eerste hoofdstuk van Jean Christophe, deel 1 van Romain Rolland. Ik weet dat je, wanneer je je probeert te herinneren hoe je als mensenkind begon, je in dit boek moet zijn.
Ik lees de regels en keer terug naar de vader van mijn zoon, naar mij de moeder. Naar hoe we waren.
Ik lees de regels van het eerste hoofdstuk, een baby nog is daar het kind waar alles om draait. Pril is hij en door het leven nog onbeschadigd gebleven.
Daar moet ik zijn, bij hoe het was toen we nog heel waren.
Ik laat Rolland aan het woord:
‘Het leven heeft hem nog niet vast. Telkens ontsnapt hij eraan, hij zwemt in het oneindige. Wat is hij gelukkig. Hij is geschapen om gelukkig te zijn. Niets in hem wat niet in het geluk gelooft, wat er niet naar reikt met al zijn hartstochtelijke kleine krachten.’
Zo krachtig dit. Niets wat niet in het geluk gelooft. Zo waren we. Ik weet het weer. En zo ga ik die twee straks ontvangen.