Die stilte na corona wordt gekoesterd
En als je er toch over durft the beginnen hoor je: ben je daar nu nog mee bezig? Get a life
De grote stilte na corona
Wat mij achteraf misschien nog het meest fascineert aan de coronaperiode, is niet eens de angst van toen. Het is de stilte daarna.
Mattias Desmet, hoogleraar klinische psychologie aan de Universiteit Gent, schreef uitvoerig over wat hij massavorming noemt: hoe angst, onzekerheid en een voortdurend herhaald dominant verhaal ertoe kunnen leiden dat grote groepen mensen zich steeds sterker aan dat verhaal vastklampen en zich gemakkelijker onderwerpen aan regels die zij onder normale omstandigheden kritischer zouden bekijken.
Of men zijn analyse volledig onderschrijft of niet, tijdens corona waren angst, groepsdruk en conformisme buitengewoon krachtig.
Wat mij vooral trof, was dat dit niet alleen gebeurde bij slecht geïnformeerde mensen. Integendeel. Ik zag intelligente, hoogopgeleide, succesvolle vrienden zich in allerlei bochten wringen om zo snel mogelijk gevaccineerd te worden. Mensen organiseerden reizen, zochten adressen waar eerder geprikt kon worden en probeerden familieleden versneld aan een vaccinatie te helpen.
Tegelijk keken velen met nauwelijks verhulde afkeuring naar mensen die vragen stelden.
Ik behoorde tot die laatste groep.
Ik heb gewaarschuwd. Vaak. Misschien tot vervelens toe. Dat heeft mij kennissen gekost, onder wie artsen en specialisten die nauwelijks ruimte leken te zien voor twijfel. Vragen over proportionaliteit, leeftijdsrisico’s, bijwerkingen, transmissie en natuurlijke immuniteit werden al snel verdacht gemaakt.
En nu?
Nu hoor ik vrijwel niemand er nog over.
Dat vind ik psychologisch misschien nog interessanter dan wat er destijds gebeurde.
Waar zijn al die hartstochtelijke gesprekken gebleven? Waar zijn de mensen die zeker wisten dat er nauwelijks een alternatief bestond? Waarom zegt bijna niemand achteraf:
“Misschien was ik toen wel heel erg bang.”
Of:
“Misschien heb ik anderen te gemakkelijk veroordeeld.”
Of gewoon:
“Misschien wist ik het minder zeker dan ik dacht.”
De psychologie kent daarvoor een bekend begrip: cognitieve dissonantie.
Wie zichzelf ziet als rationeel, zelfstandig en kritisch denkend, vindt het buitengewoon onaangenaam om later te moeten erkennen dat angst en groepsdruk misschien toch meer invloed hadden dan hij destijds wilde toegeven.
En hoe groter de investering, hoe moeilijker die erkenning.
Wie alleen voor zichzelf een beslissing nam, hoeft weinig te verdedigen. Maar wie anderen onder druk zette, ruzie maakte met familieleden, mensen uitsloot of twijfelaars moreel de maat nam, moet achteraf veel meer onder ogen zien.
Dan gaat het niet meer alleen om de vraag: had ik gelijk?
Dan wordt de vraag: heb ik anderen misschien onrechtvaardig behandeld terwijl ik ervan overtuigd was dat juist ík rationeel en verantwoordelijk handelde?
Dat is veel moeilijker.
En dus ontstaat misschien de eenvoudigste menselijke oplossing: zwijgen.
Het onderwerp verdwijnt. De stelligheid wordt vergeten. De conflicten worden niet meer benoemd. En degenen die destijds vragen stelden, krijgen zelden achteraf te horen dat hun twijfel misschien toch niet zo krankzinnig was.
Misschien is dat het interessantste vervolg op Desmets analyse.
Als angst en groepsvorming kunnen verklaren waarom mensen zich tijdens een crisis collectief op een bepaalde manier gedragen, welke psychologie verklaart dan de stilte daarna?
Misschien is het geen geheugenverlies.
Misschien is het zelfbescherming.
Want een mens zegt gemakkelijker dat “de omstandigheden toen anders waren” dan:
Ik was bang.
Ik liet me meeslepen.
Ik was te zeker van mijn zaak.
En misschien heb ik anderen daardoor tekortgedaan.
Het merkwaardigste verschijnsel van de coronajaren is daarom misschien niet hoe snel miljoenen mensen tegelijkertijd bang konden worden.
Het is hoe snel diezelfde periode daarna uit het gesprek verdween.
De angst was collectief.
De gehoorzaamheid was collectief.
Maar de zelfreflectie?
Die blijkt opvallend schaars.