Ouder worden is een vreemd spel met de tijd.
Op papier ben ik 63.
Maar papier weet niet alles.
In mijn hoofd ben ik soms 37.
Op een concert moeiteloos 25.
Na negen uur ’s avonds minstens 87.
En wanneer ik vanaf de vloer overeind moet komen,
heel even 104.
Als iemand me echt kwaad maakt,
kan ik verrassend snel weer 14 zijn.
Misschien worden we namelijk helemaal niet één bepaalde leeftijd.
Misschien dragen we alle versies van onszelf met ons mee.
Het kind dat verwonderd naar de wereld keek.
De puber die dacht dat niemand hem begreep.
De jongen die verliefd werd.
De man die dacht dat hij alle tijd van de wereld had.
En de oudere versie die inmiddels weet
hoe kostbaar die tijd eigenlijk was.
En dan klinkt ineens ergens een nummer uit de jaren 80.
Een paar akkoorden zijn genoeg.
De jaren vallen van me af.
Ik ben weer 17.
Het is zomer.
De avond lijkt eindeloos.
Ik sta met vrienden in een veld, een beetje dronken,
lachend om dingen die allang vergeten zijn.
We praten over later
alsof later een onmetelijke verte is.
Mijn moeder denkt ondertussen dat ik braaf op een pyjamafeestje zit.
En het wonderlijke is:
die jongen van 17 is nooit helemaal verdwenen.
Hij woont ergens tussen een melodie, een geur, een oude foto en een herinnering die onverwacht langskomt.
Misschien is dat wel ouder worden.
Niet langzaam afscheid nemen van wie je was,
maar steeds meer levens met je meedragen.
Tot één oud liedje begint…
en je voor drie minuten ontdekt
dat tijd helemaal niet bestaat.
Je bent weer 17.
Alleen weet je nu hoe bijzonder het was.