Drie jaar geleden werd 7 oktober de zwartste dag voor het joodse volk sinds de Shoah. Blinde terreur, die erop gericht was het Midden-Oosten verder te ontwrichten, kostte het leven aan twaalfhonderd mensen. De terroristen maakten geen enkel onderscheid. Ze vermoordden jongeren op een festival, gezinnen in hun eigen huis, vredesactivisten, Israëliërs van Arabische afkomst, Thaise arbeiders en Nepalese studenten. Vandaag denk ik aan hen, aan wie werd weggevoerd en aan hun families.
Ik denk ook aan de joodse gemeenschap in ons land. Waken over haar veiligheid blijft mijn plicht. Zij is geen partij in een oorlog, wel het doelwit van haat, bedreigingen en geweld. Daarvan getuigen de verschillende aanslagen in dit land, en de schrikwekkende stijging van het aantal antisemitische daden. Een land waar scholen en synagoges bewaakt moeten worden, mag zich daar nooit bij neerleggen.
Duisternis heeft niet het laatste woord.
——
Il y a trois ans, le 7 octobre est devenu le jour le plus sombre pour le peuple juif depuis la Shoah. Une terreur aveugle, destinée à déstabiliser davantage le Moyen-Orient, a coûté la vie à mille deux cents personnes. Les terroristes n’ont fait aucune distinction. Ils ont assassiné des jeunes lors d’un festival, des familles dans leur propre maison, des militants pour la paix, des Israéliens d’origine arabe, des travailleurs thaïlandais et des étudiants népalais. Aujourd’hui, mes pensées vont à ces victimes, à celles et ceux qui ont été enlevés, ainsi qu’à leurs familles.
Je pense également à la communauté juive de notre pays. Veiller à sa sécurité demeure mon devoir. Elle n’est pas partie prenante à une guerre, mais elle est la cible de haine, de menaces et de violence. Les différentes attaques commises dans notre pays ainsi que l’augmentation inquiétante du nombre d’actes antisémites, en témoignent. Un pays ne peut jamais se résigner au fait que des écoles et des synagogues doivent être placées sous protection.
Les ténèbres n'auront pas le dernier mot.