Ah, kijk! Wéér een overleg! De dialoogdraaimolen van Rianne Letschert draaide weer.
Aanleiding: een Gazaanse importstudent aan de Universiteit Maastricht plaatste vanuit een studentenhuis een video waarin hij naar beelden van Hamasbroedsel wees en zei: “7 October. This is me.”
Je zou dus verwachten dat de minister naar Maastricht zou afreizen en zou spreken met de plaatselijke Joodse en Israëlische studenten, die al veel langer waarschuwen voor wat daar gebeurt.
Helaas! IJAR Maastricht, de vertegenwoordiging van Joodse en Israëlische studenten aan de Universiteit, schreef dat men geen formele uitnodiging van Letschert of haar ministerie had ontvangen. Men wist evenmin wat het doel van het overleg was, wie eraan deelnamen en welke concrete maatregelen überhaupt op tafel kwamen.
En nu verschijnt er dus weer een knusse foto van Letschert met een gezelschap Joodse gesprekspartners. De minister vertelt blij dat zij “opnieuw” met Joodse studenten en medewerkers heeft gesproken, dat zij wil luisteren en dat er wordt gewerkt aan samenwerking tussen het hoger onderwijs en de lokale veiligheidsdriehoek.
Daarmee wordt de concrete Maastrichtse kwestie razendsnel in de bestuurlijke blender geflikkerd en vermalen tot een vaagtaalsmoothie over antisemitisme, protesten, ongeregeldheden en samenwerking. De terreurstudent in Maastricht, de daar ontstane onrust en de studenten die al jarenlang kritiek hebben op de manier waarop hun universiteit met hun veiligheid en belangen omgaat, worden onder het tapijt geschoven.
Natuurlijk mag Letschert met iedere Joodse organisatie of vertegenwoordiger spreken die zij wil. Maar puur hun aanwezigheid kan niet dienen als vervanging voor de mensen over wie het écht gaat. Want op deze manier krijgt iedere bijeenkomst het karakter van een bestuurlijk alibi: men nodigt een vertrouwde kring Joodse gesprekspartners uit, ontvangt hen, maakt een obligaat deugkiekje, pruttelt wat over verbinding en samenwerking en kan vervolgens naar buiten brengen dat met “Joodse studenten en medewerkers” is gesproken. Het zijn de spiegeltjes en kraaltjes van bestuurlijke betrokkenheid, terwijl de kritischere gesprekspartners, de studenten en medewerkers die Letscherts eigen bestuurlijke verleden in Maastricht tegen het licht houden, hiermee monddood gemaakt worden.
Het verleden is hier zeer relevant. Letschert stond immers jarenlang zelf aan de bestuurlijke top van de instelling waar al deze problemen nu spelen. Joodse en Israëlische studenten en medewerkers hebben in die periode herhaaldelijk met haar en andere bestuurders gesproken over veiligheid, intimidatie en de gevolgen van Letscherts eigen beslissingen met betrekking tot pro-Palestijns activisme. Er waren gesprekken zat. Wat echter ontbrak, waren maatregelen die daadwerkelijk in verhouding stonden tot de ontstane problemen en duidelijke verantwoordelijkheid voor wat er daarna moest gebeuren.
Praten, faciliteren, procesafspraken maken, doorverwijzen, opnieuw vergaderen en vervolgens het bestaan van een dialoog zélf verkopen als succesvol resultaat begint verdacht veel op een vast bestuursmodel te lijken.
Inmiddels wordt ook in de Kamer doorgevraagd. Caroline van der Plas heeft de vaste Kamercommissie voor OCW formeel voorgesteld minister Letschert om een reactie te vragen op het statement van IJAR Maastricht.
Voordat de dialoogdraaimolen opnieuw een rondje maakt, mogen drie buitengewoon eenvoudige vragen best worden beantwoord: waarom IJAR Maastricht niet formeel was uitgenodigd, of Letschert inmiddels inhoudelijk op hun brief heeft geantwoord en wat er na al die jaren van geleuter concreet is veranderd voor de Joodse en Israëlische studenten in Maastricht.
Een eeuwige dialoog in stand houden is eenvoudig. Verantwoordelijkheid nemen is iets anders. En we wachten allemaal écht op dat laatste.